(Buiten)spel Deel dit bericht:

 

(Buiten)spel

13 juni 2017

Lekker buiten spelen, met vriendjes of alleen, is voor veel kinderen erg leuk! Zeker met het mooie weer van de afgelopen periode. (Buiten)spel is belangrijk voor een goede motorische ontwikkeling. Spelenderwijs de grove en fijne motoriek oefenen helpt een kind in de ontwikkeling van verschillende vaardigheden op latere leeftijd. Het is namelijk uitermate belangrijk voor bijvoorbeeld goed kunnen schrijven en gymmen.

Tot de eerste anderhalf jaar weten de meeste ouders wel wat hun kind moet kunnen. Daarna wordt het al ingewikkelder. Wanneer moet je kind kunnen fietsen, tekenen of voetballen? Veel jonge ouders weten niet wat de norm is en maken zich zorgen als ze zien dat andere kinderen al iets kunnen wat hun eigen kindje niet kan. In dat geval is het goed om je te realiseren dat niet ieder kind zich op dezelfde manier ontwikkelt. En bedenk je ook: de meeste kinderen die gezond op de wereld komen, ontwikkelen zich goed. Toch is het ook dan belangrijk om je kind te prikkelen, uit te dagen en stimuleren. Natuurlijk is veiligheid daarbij het uitgangspunt. Om kinderen zonder angst te leren fietsen kun je bijvoorbeeld de zijwieltjes steeds hoger zetten. Ongemerkt fietst het op een dag ineens zonder hulp van deze wieltjes! Stimuleren is gemakkelijker dan je misschien denkt. Een boswandeling is een simpele manier om zowel grove als fijne motoriek te oefenen. Als je kind lekker in een boom klimt, of over een omgevallen boomstam loopt, oefent hij zijn grove motoriek. En wie kan het opgeraapte dennenappeltje het verste weg gooien, je kind  of jij? Op deze manier oefen je samen de fijne motoriek. Ook huis-, tuin- en keukenattributen kunnen prima dienst doen als ‘oefenmateriaal’. Zo kun je je wasmand gebruiken als basket- of korfbal. Laat je kind maar proberen of hij hier een bal in kan gooien! Of maak een hindernisbaan met stoelen, fietsbanden en andere spullen waar je kind overheen kan springen en onderdoor moet kruipen. En laat het weer een keer te wensen over? Dan kan dit ook prima binnen natuurlijk!


 

Sport & spel Deel dit bericht:

 

Sport & spel

24 april 2017

Sport en spel is een geliefde bezigheid van veel kinderen. Ze kunnen buiten zijn, hebben de ruimte om te spelen en bewegen en kunnen, niet onbelangrijk, hun energie kwijt! Ook geeft het ze de mogelijkheid om samen met andere kinderen allerlei spelvormen met regels te verzinnen.

Dat sport- en spelactiviteiten voor kinderen belangrijk zijn hoeven we vast niet uit te leggen. Bewegen is gezond en zorgt voor de ontwikkeling van motorische vaardigheden. Maar ook dragen sport- en spelactiviteiten bij aan de sociale ontwikkeling. Ze doen een beroep op de zelfstandigheid van kinderen omdat zij vaak spontaan met leeftijdsgenootjes allerlei spelvormen bedenken. Denk aan het hinkelen op het plein, verstoppertje spelen etc. Dergelijke spelen worden in de regel door de kinderen zelf bedacht en georganiseerd. Wie doen er mee? Hoe worden de rollen verdeeld? Hoe corrigeren de kinderen elkaar en hoe maken ze kenbaar dat een kind iets ‘fout’ heeft gedaan? De vindingrijkheid van kinderen om zelf dergelijke spelen te verzinnen is groot. Invloed van volwassenen kan de spontaniteit beïnvloeden. Als volwassene heb je oog voor veiligheid van het spel. Even afwachten hoe kinderen het zelf aanpakken en oplossen geeft hen daadwerkelijk de ruimte om vaardigheden rondom zelfstandig functioneren in een groep op te doen. Daarom is het belangrijk om situaties door kinderen zelf op te laten lossen. Hiermee geef je kinderen niet alleen de ruimte om zelfstandig te zijn maar groeit ook het zelfvertrouwen.

Alle kinderen willen graag succeservaringen opdoen. Omdat elk kind anders is, zijn succeservaringen ook voor elk kind anders. Wat kun je als volwassene doen om ervoor te zorgen dat toch alle kinderen succeservaringen opdoen? Ook degenen die van nature minder sportief zijn? Je kunt, bij voorkeur samen met het kind, onderzoeken wat het leuk vindt om te doen. Misschien vindt het iets minder voor de hand liggende sporten als breakdance, acrobatiek of wielrennen leuk. Of misschien spreekt een boswandeling of een fietstocht juist meer aan. Laat je kind weten dat dit prima is; een kind dat iets met plezier doet, ervaart eerder succes.  Van nature zijn jonge kinderen leergierig en nieuwsgierig. Het aanbieden van verschillende activiteiten in de vrije tijd van kinderen draagt er aan bij dat zij hobby’s en talenten ontwikkelen. Overigens geldt dit niet alleen voor sport en spel, maar ook voor dans, muziek, koken en knutselactiviteiten!


 

Jokken Deel dit bericht:

 

Jokken

23 februari 2017

Tweeënhalfjarigen jokken al wel eens. Toch is jokken op die leeftijd anders dan met vier jaar. Waarom reageer je in het ene geval anders dan in het andere geval.

Wat verandert er in een kinderhoofd, zodat je voelt dat met tweeënhalf jaar het jokken anders is dan met vier jaar? En je in het ene geval wel boos reageert? Dat heeft te maken met de ontwikkeling van het geweten. Dat klinkt zwaarwichtig als het om zulke kleine kinderen gaat, maar een ander woord is er nu eenmaal niet voor.

Heel jonge kinderen weten niet uit zichzelf wat goed of slecht is, lief of stout. Vanaf dat ze in de box zitten, leren ze dat door de reactie van hun ouders. Met een jaar of twee weten ze het al wel aardig, maar doordat de regels aan grote mensen vastzitten, kunnen ze zich er vaak alleen nog maar aan houden als één van hen zichtbaar in de buurt is. Dingen die ze in het bijzijn van mama niet doen, doen ze onbekommerd wel als ze alleen zijn. “Hij weet dus best dat hij het niet mag”, denk je onwillekeurig. Maar hij weet het alleen als ‘het grote mens met zijn regels erbij is’.

Een volgende stap is dat een kind dat alleen is en iets fouts doet, zichzelf bestraffend toespreekt: “Mag niet, hoor.” Al zijn de ouders niet aanwezig, hij haalt hun verbod er wel bij! Maar dan heeft hij nog niet zoveel kracht dat hij het stoute ook werkelijk laat. Daarbij komt het nogal eens voor dat kinderen een ander de schuld geven. Niet met opzet, maar in een soort verstandelijke verwarring. Een voorbeeldje: Robin klimt op een krukje, zodat hij een schaar kan pakken, die hij niet mag hebben. Als hij naar beneden springt, glijdt de schaar uit zijn hand en geeft een kras op zijn zusjes arm, die hard begint te huilen. “Heb ik niet gedaan, hoor” zegt hij tegen mama die geschrokken aan komt lopen, “Sofie heeft de schaar!” Als je binnen in zijn hoofdje zou kunnen komen, zou je zijn hersentjes horen knarsen van alle informatie die ineens verwerkt moet worden. Hij heeft iets gedaan waarvan hij weet dat het niet mocht. Hij is gevallen. De schaar is weg en ligt bij zijn zusje. Sofie huilt. Mama heeft een boos gezicht. Teveel emoties ineens en de juiste volgorde ontglipt hem. De schaar naast de voet van Sofie is het enige duidelijke.  Sofie en schaar. “Sofie gedaan”.

Maar van lieverlee krijgt een kind dat aan regels wordt gehouden verstandelijk zicht op wat oorzaak is en wat gevolg, en wat zijn rol daarin is. Met een jaar of vier is dat meestal wel zover. Dan kun je in sommige situaties van echt jokken spreken. “Heb-ik-niet-gedaan” leugentjes bijvoorbeeld. Of een leugentje om bestwil. Bij jonge kinderen zijn er ook nog de zogeheten opschepleugentjes. Die beginnen als een kind zichzelf, hoe jong ook, met een ander gaat vergelijken. Zo rond de tweede verjaardag, soms wat eerder, soms wat later. Kinderen krijgen dan in de gaten dat ze sommige dingen niet durven (een grote hond aaien) of kunnen (zelf aankleden). In hun fantasieleugentjes maken ze zichzelf wat groter en flinker. Als zo’n leugentje te gek wordt, moet je hem met een zacht lijntje terugbrengen naar de realiteit  terugbrengen met een reactie als: “o, wat leuk, maar hoe ging het nou echt?”

Op deze manier leren kinderen langzamerhand het verschil tussen wat waar is en wat verzonnen!


 

Vervelen is zinvol Deel dit bericht:

 

Vervelen is zinvol

16 december 2016

Een uitpuilende speelgoedkast, een eigen speelkamer vol met spullen; het lijkt bijna ondenkbaar dat je peuter zich verveelt! Toch komt hij regelmatig aan je broekspijp hangen, of zit verveeld met een duim in zijn mond. Soms vind je dit vervelend. Maar is het erg? Nee, hoor! Hij wil gewoon even lekker niets. En dat is nog goed voor zijn ontwikkeling ook.

Net als jij zelf hebben ook kleine kinderen wel eens geen zin. Bij oudere kinderen is dit gedrag gemakkelijker te herkennen, bij jonge kinderen wat moeilijker.

Dat jouw peuter zich verveelt uit zich namelijk niet alleen in lusteloos hangen. Soms doet hij iets wat je niet van hem verwacht. Dan heeft hij kans gezien in de voorraadkast te komen en deze leeg te ruimen, of schept hij aarde uit je plantenbakken. Dit zijn dingen waarbij je je afvraagt “Waar haalt hij het vandaan?” Het zijn ook bijna altijd dingen die echt niet mogen. Je kind doet deze dingen niet omdat hij in een ondeugende bui is. Hij heeft gewoon geen zin om met zijn speelgoed, waar hij al zo veel mee gespeeld heeft, te spelen. Hij zoekt een andere uitdaging. Hoe vervelend je dit als ouder soms vindt, je peuter heeft deze momenten nodig om zich te ontwikkelen.

Ook als je kind ouder wordt houden deze momenten van verveling niet op. Wat geldt voor je peuter geldt ook voor als je kind wat ouder wordt. Het is voor alle kinderen goed om écht vrije tijd te hebben. Tijd die ze zelf in kunnen vullen. Daar hoort ook bij dat ze zich eens kunnen vervelen, even heerlijk niets doen. Verveling stimuleert de creativiteit. Kinderen reageren spontaan op dingen die toevallig gebeuren. Zorg daarom dat je kind gelegenheid heeft zich te vervelen, plan niet alle tijd vol. En realiseer je: kinderen die zich vervelen bedoelen het niet vervelend!


 

Bijtertje Deel dit bericht:

 

Bijtertje

10 november 2016

Dreumesen hebben nog maar weinig mogelijkheden om zich mondeling te uiten.Omdat ze toch hun energie of gevoelens kwijt moeten, grijpen ze naar andere middelen. Soms leidt dit tot bijten van andere kinderen. Dat kan uit woede of frustratie zijn, maar ook uit liefde of genegenheid. In geen enkel geval moet je bijten accepteren. Het bijtende kind is immers een ‘gevaar’ voor het gevoel van veiligheid van andere kinderen.

Kinderen in de dreumesleeftijd kunnen zich nog niet verplaatsen in een ander. Het bijten is dus meestal niet bewust gericht om de ander pijn te doen. Dreumesjes zitten in een fase dat ze van alles gaan ontdekken. Dit doen ze door iets uit te proberen en het effect daarvan af te wachten. En het is natuurlijk reuze interessant als het bijten een reactie uitlokt doordat het gebeten kind het op een huilen zet. Daarnaast onderzoeken dreumesen, net als baby’s, de wereld via hun zintuigen, in dit geval de mond. Het kan dus zijn dat een dreumes wil weten hoe de ander ‘smaakt’, hoe vreemd dat ook klinkt. Een andere reden kan zijn dat de dreumes last heeft van doorkomende kiezen. Het bijten kan zo de pijn verzachten.

Hoewel je bijten niet altijd kunt voorkomen kun je wel je kind leren om zijn emoties op een andere manier te uiten. Deze adviezen komen erop neer dat je (de emoties van) het kind serieus neemt:

Het is erg belangrijk dat je het ongewenste gedrag afwijst, maar vertel wel dat zijn gevoel (boosheid, verdriet, frustratie) een normaal gevoel is. Zeg niet dat het kind stout is, maar dat je het gedrag afkeurt. Zodra kinderen meer mogelijkheden hebben om zich verbaal te uiten, verdwijnt het bijten. Het gaat dus meestal om een voorbijgaande fase en dat is voor veel ouders een geruststellend idee!


 

Zo leert je kind praten Deel dit bericht:

 

Zo leert je kind praten

22 september 2016

Tegen je baby zeg je soms de gekste dingen. Je kirt en maakt rare fantasiewoordjes. Vreemd? Nee hoor, tijdens deze eerste vormen van contact ben je al bezig met de taalontwikkeling van je kind.

Instinctief zoeken baby’s contact via oogopslag, een aanraking of handgebaar. Ook huilen is een vorm van contract maken met de omgeving. Het zijn signalen waar je niet omheen kunt. Tegelijkertijd zijn het ook stemoefeningen. Vanaf de geboorte start de ontwikkeling van je kind en daar is taalontwikkeling een onderdeel van. En hoewel kinderen van nature het vermogen hebben om taal te leren, speel je als ouder ook een belangrijke rol.

Ook al voel je jezelf misschien een beetje belachelijk, blijf maar tegen je baby kirren. Zo’n zes tot acht weken na de geboorte begint je kindje zelf terug te kirren en geluidjes te maken. Hij wil dan al zelf gaan experimenteren met klanken. Voordat je kind echt gaat brabbelen is hij echter al een half jaar tot 9 maanden. In de tussentijd heeft hij zijn stembanden ontdekt. Klinkers (aaa, ooo, eee) worden flink geoefend. Als je nu meedoet, stimuleer je de taalontwikkeling van je kind. Als je baby naast klinkers ook medeklinkers gaat gebruiken, weet je dat de brabbelfase echt is begonnen. Je kind gaat de klanken die hij nu in zijn omgeving niet hoort, ook minder gebruiken. De taal van je kind ontwikkelt zich nu tot moedertaal, met de daarbijbehorende intonatie.

Al kan je kind zelf nog geen woordjes zeggen, hij begrijpt ze wel. Deze passieve taalontwikkeling kun je stimuleren door woorden en begrippen te oefenen. Wijs naar mama, papa, of bal en spreek de daarbij horende woorden uit. Net voor de eerste verjaardag van je kind zul je merken dat deze passieve woordenschat steeds uitgebreider wordt. Je kind reageert op jouw uitroepen of opdrachten: “zwaai maar naar opa”. Ondertussen gaat de actieve taalontwikkeling ook verder. Door de uitbreiding van klanken en toonhoogtes lijkt het soms net alsof je kind al een beetje praat. Maar het eerste echte woordje zal zo rond zijn eerste verjaardag klinken. Is je kind eerder of later hoef je je echter geen zorgen te maken. Ieder kind heeft zijn eigen manier van praten en bovendien vinden sommige kinderen lopen en klimmen veel interessanter. Als je je toch zorgen maakt kun je dit natuurlijk altijd bespreekbaar maken op het consultatiebureau.

Het eerste woordje van je kindje kan “papa” of “mama” zijn, maar ook “bal” of “klaar”. Dat zijn namelijk woorden die een kind vaak hoort en dus ook gaat nadoen. Waarschijnlijk heeft het woordje “mama” in eerste instantie voor hem nog geen betekenis, maar doordat je er enthousiast op reageert wordt het zeker gestimuleerd om dit te herhalen. Op een gegeven moment krijgen de uitgesproken woorden ook echt betekenis. In deze fase is het belangrijk dat je gewoon gaat praten tegen je kind. De ontwikkeling van de zinsbouw en woordvorming van kinderen verlopen dan wel volgens vaste fasen, je kunt hier wel degelijk invloed op uitoefenen. Door gewoon taalgebruik en het benoemen van de realiteit help je je kind niet alleen met de taalontwikkeling, je helpt hem ook met het begrijpen van de wereld om hem heen. Je leert hem welke woorden er horen bij dingen, handelingen en emoties. Hoe meer je kind hoort, des te beter. Lees daarom veel voor, benoem wat je doet, wat je kind doet en wat er om jullie heen gebeurt. De ontwikkeling van klanken houdt niet op bij de eerste woordjes. Integendeel. Pas als je kind 6 of 7 jaar is, is de klankontwikkeling compleet.

Als het taalaanbod net iets boven het niveau van een kind ligt, wordt zijn denkvermogen geprikkeld. Je moet natuurlijk wel uitgaan van wat je kind al kent. Dat helpt om nieuwe woorden en begrippen te leren begrijpen. Stel ook vragen als je voorleest. Is je kind 3 of 4 jaar, dan kun je verder gaan dan bijvoorbeeld: “Hoeveel eendjes zie jij?” Je kunt bijvoorbeeld vragen: “Wat denk jij dat die eendjes gaan doen?” Je kind gaat nadenken en op zoek naar de juiste woorden. Dat stimuleert de woordenschat en het denkvermogen. Ook levert het een rijk taalgebruik op, waar het kind in zijn verdere leven veel profijt van kan hebben!


 

Bang zijn is heel gewoon! Deel dit bericht:

 

Bang zijn is heel gewoon!

29 juli 2016

Bij iedere fase in de ontwikkeling van kinderen horen angsten. Kleine baby’s schrikken van plotselinge, harde geluiden of plotseling fel licht. Peuters hebben daar geen last meer van, maar zij kunnen wél bang worden in het donker. Als een fase voorbij is, zijn  ook de bijbehorende angsten voorbij. Om plaats te maken voor nieuwe.

Als je twee jaar bent, kun je opeens een heleboel. Je kunt goed lopen maar ook hard wegrennen als je wordt geroepen. Je kunt op een stoel klimmen, ook om iets te pakken waar je niet aan mag komen… Je kunt zelf je broek aantrekken, ook als mama haast heeft. Daardoor worden volwassenen nogal eens boos op hun tweejarig kind. “Niet doen. Kom hier. Nee, niet nu. Afblijven!” Ouders staan er versteld van dat hun schattige gemakkelijke baby uitgegroeid is tot een peuter die je alles moet verbieden. Het probleem is nu dat zo’n tweejarige door al die boze woorden bang kan worden dat hij niet meer lief wordt gevonden. Hij wil het liefst iedere keer weer gerustgesteld worden. Bij papa of mama, bij opa of oma, bij een pedagogisch medewerker. Hij vindt het fijn om te weten dat hij lief gevonden wordt. Verder moet een peuter de volwassenen goed in het oog kunnen houden. Als ouders te lang weg zijn, kan hij bang worden dat ze hem in de steek hebben gelaten. Dit is de voor veel ouders welbekende verlatingsangst. Als er midden in die fase binnen het gezin een baby wordt geboren, kan zo’n peuter het gevoel krijgen dat hij heeft afgedaan. Ze hebben immers een nieuw kind genomen! Net zoals mama nieuwe bloemen koopt als de oude niet meer mooi zijn. Weet hij veel dat het met ouderliefde toch een beetje anders zit; daar kan hij echt nog niet bij!

Een andere bekende fase is de eenkennigheidsfase bij baby’s. Deze fase begint rond de acht maanden. En hoe lastig deze fase ook is, eenkennigheid is een belangrijke stap in de ontwikkeling. Het betekent namelijk dat de hersentjes zover zijn gerijpt dat een kind verschillen in menselijke gezichten kan zien. Een kleine baby kan dat nog niet. Op een gegeven moment herkent hij wel papa of mama, maar alle anderen zijn voor hem één pot nat. Maar als hij verschillen kan zien in al die ogen, neuzen en monden blijken er opeens allemaal vreemde mensen om hem heen te zijn. Eenkennigheid wordt daardoor ook wel vreemdenangst genoemd. Bij alle kinderen gaat deze fase voorbij, net als bij verlatingsangst.

Doordat peuters nog niet alles begrijpen, kunnen zij juist bang zijn van dingen waaraan geen enkel gevaar zit. Dan kun je als volwassene voor een raadsel staan, of er zelfs geïrriteerd door raken. Als je peuter te groot is om op het potje te plassen, en jij hem liever op de wc zet, kan hij helemaal ontdaan raken. Hij heeft namelijk zelf een paar keer dat enge doortrekken gezien en is bang dat hij mee zal verdwijnen. En met je peuter onder de douche gaan zorgt misschien ook voor de nodige problemen. Hij heeft namelijk dat afvoerputje gezien, en dat vertrouwt hij niet helemaal! Het duurt even voordat peuters begrijpen dat ze echt te groot zijn voor die kleine gaatjes. Om diezelfde reden zijn roltrappen berucht bij peuters; voor je het weet schuif je tussen die treden weg!

Peuters kunnen panisch tekeer gaan bij het minste wondje. Ook dat is een kenmerkende angst. Als je drie bent, ben je langzamerhand vertrouwd met je eigen lijf. Je voelt je als het ware daarin zitten, met een velletje eromheen. Maar als dat velletje kapot is en er bloed uit komt, loop je misschien wel helemaal leeg! En daarom moet er ook absoluut een pleister op!

Helemaal niet raar dus, die angsten. Het is echter wel zo dat het ene kind heftiger reageert dan een ander. Dit is gedeeltelijk afhankelijk van aanleg. De een is gevoeliger dan de ander. Ook kunnen angsten blijven hangen als er onhandig op wordt gereageerd. Zoals een peuter de roltrap op sleuren, of in het zwembad duwen. Dan blijven roltrap en zwembad eng. Het is dan ook zaak de angsten van je kind serieus te nemen. Bang zijn is maar heel gewoon.


 

Smaken verschillen Deel dit bericht:

 

Smaken verschillen

17 juni 2016

De meeste kleine kinderen houden wel van roomijs, koek en snoep, maar niet van spruitjes en radijsjes - uitzonderingen daargelaten!

De meeste kinderen zijn echte zoetekauwen. Hoe zoeter, hoe beter. Snoep, koekjes, drankjes en toetjes gaan er bij de meeste kinderen makkelijk in. Niet voor niets is het spreekwoord ‘Dat gaat erin als koek’.  Het gros van de jonge kinderen heeft meer moeite met bittere smaken, zoals spruitjes, witlof of grapefruit. Ook zure smaken zoals die van sinaasappelsap en bepaalde salades zijn doorgans niet snel favoriet bij peuters en dreumesen. Deze smaakvoorkeur stamt al van vlak na de geboorte. Het eerste dat een baby proeft is de zoete smaak van moedermelk of flesvoeding. Een baby associeert die zoete smaak al heel snel met voldaanheid en tevredenheid. Door die warme, zoete melk verdwijnt immers het vervelende hongergevoel. Ook gaat het drinken van melk gepaard met geborgenheid. Zoet wordt zo een plezierige smaak.

En dan komt het moment dat een baby bijvoeding mag hebben. Voor de omgeving levert dat leuke momenten op. Denk maar eens terug aan het eerste groentehapje met de daarbijbehorende uitdrukkingen van het gezicht van je baby, wie heeft daar geen foto van gemaakt? Je zou eigenlijk medelijden moeten hebben met dat kleintje! Alles wat in zijn mondje wordt gestopt heeft een compleet nieuwe smaak. Denk eens aan je eerste kopje koffie. Of je eerste glas bier!  Geen wonder dat kleine kinderen soms maar één of twee hapjes van iets nieuws nemen. Kleine beetjes proeven is juist dé manier waarop ze wennen aan nieuwe smaken. Na een poosje is de smaak ‘ingeburgerd’ en eten ze vanzelf meer.

Vindt een kind groenten niet lekker? Sommige ouders doen er dan wel eens appelmoes over. Maar zo went een kind natuurlijk nooit aan andere dan zoete smaken. Het kost gewoon even tijd om het smaakzintuig van een kind ervan te overtuigen dat iets wat nu ‘vies’ is, over een tijdje lekker is. Door regelmatig iets opnieuw aan te bieden kun je daaraan werken. Vindt een kind bijvoorbeeld sinaasappels niet lekker, probeer het dan over een tijdje nog eens. Wordt een kind gedwongen om iets te eten wat hij op dat moment nog niet lekker vindt, dan is de kans groot dat er letterlijk een vervelend smaakje aan blijft hangen. Het is dus niet slim om het toetje alleen te geven als een kind zijn bord heeft leeggegeten. Als een smaak echter wordt geassocieerd met gezelligheid, komt dat de smaakontwikkeling ten goede. Denk maar eens aan peuters die olijven lusten. Ze zien hun ouders daarvan genieten op gezellige momenten en die gezelligheid willen ze ook wel eens proeven!

Kinderen blijven geen zoetekauwen, maar ontwikkelen hun smaak in de loop der jaren als vanzelfsprekend steeds meer naar volwassen smaken (bitter, zuur). Kinderen zijn van nature nieuwsgierig en op zoek naar nieuwe dingen, en zullen dus telkens iets nieuws willen proberen. Bovendien willen kinderen graag ouder lijken. Ze gaan dan het eetgedrag van oudere kinderen of volwassenen imiteren. Ze doen hun best om dingen lekker te vinden, die ze lekker willen vinden. En uiteindelijk lukt dat meestal ook. Vroeg of laat eten de meesten spruitjes, witlof en radijsjes!


 

Slapen Deel dit bericht:

 

Slapen

3 mei 2016

Slaapbehoeften variëren sterk van kind tot kind. De behoefte aan slaap is individueel, maar ook het vinden van een dag- en nachtritme, de tijd die het kind nodig heeft om in slaap te vallen, de manier van wakker worden en de duur van de slaapperiode verschillen van kind tot kind. De hoeveelheid slaap neemt af  naarmate een kind ouder wordt. Kinderen worden geconfronteerd met ontwikkelingsgebonden uitdagingen, die hun slaapgedrag kunnen beïnvloeden: scheidingsangst kan tot uiting komen in huilen wanneer je je kind in zijn bed legt en de kamer verlaat; tijdens de koppigheidsfase kan een kind weigeren om te gaan slapen; kinderen tussen drie en zes  jaar worden vaak geconfronteerd met angsten (voor donker, voor dieren, spoken), waardoor ze niet alleen gaan slapen. Wanneer een slaapprobleem ontstaat als gevolg van een (voorbijgaande) ontwikkelingsfase, bestaat het risico van gewoontevorming. Als je bij het bed blijft zitten van een kind dat niet wil slapen, lange verhaaltjes gaat vertellen, steeds reageert als je kind je roept, kan het slaapprobleem hardnekkig worden. Kinderen kunnen ook van nature slechte slapers zijn. Ook de aard van een kind kan van invloed zijn. De manier waarop een kind moeilijke ervaringen verwerkt, zich aanpast aan veranderingen. Ook medische oorzaken kunnen invloed hebben op het slaapgedrag, denk maar aan ziekte of tandjes krijgen.

Naast deze verschillende factoren speelt de omgeving ook een grote rol. Slaapt het kind in een rustige kamer? Slaapt het alleen? Onder ‘omgeving’ vallen ook de belangrijke gebeurtenissen van een kind: de geboorte van een broertje of zusje, voor het eerst naar de opvang of naar school. Dit kan het slaappatroon grondig verstoren.

Het gedrag van jou als ouder en de slaapgewoonten die het kind aangeleerd krijgt, hebben een belangrijke invloed. Elke ouder heeft zijn eigen verwachting over het slaapgedrag van een kind. Het is belangrijk om daar stil bij te staan. Gedrag wordt immers pas een probleem als het niet overeenkomt met de verwachting van jou. Een voorbeeldje: heb je meerdere kinderen, dan kan het gemakkelijker voor je zijn om ze samen na het eten een middagdutje te laten doen. Dan heb je even tijd voor jezelf, of kun je nog even de was doen. Natuurlijk moet je hierbij wel realistisch zijn; heb je een jonge baby en een peuter dan lopen hun slaappatronen te ver uit elkaar.

Ook door jouw manier van reageren bepaal je of een situatie standhoudt of niet. Als je een kind telkens slapend in bed legt leert het niet om alleen in te slapen. Hoe reageer je als je kind niet wil slapen? Het klinkt misschien vreemd, maar goed slapen begint op wakkere momenten. Het vertrouwen dat het kind heeft in jou, in de omgeving en in zichzelf bepaalt mee of het al dan niet goed slaapt. Daarom is een positieve interactie met het kind op andere momenten net zo belangrijk als je concrete aanpak van het slaapgedrag.

Zoals gezegd hebben verschillende momenten invloed op het slaapgedrag van een kind. Als je inzicht hebt in de situatie kun je naar een geschikte aanpak zoeken.

Enkele tips:

Elk kind heeft duidelijkheid en structuur nodig.  Het aanbrengen van een vast dagritme helpt hierbij. Deze hoeft echt niet elke dag hetzelfde te zijn, het kind moet echter wel weten wat het kan verwachten. Probeer ook grenzen te stellen aan beschikbare aandacht. Een kind dat niet alleen bezig kan zijn, kan dit tijdens het slapen ook zeker niet.

Een slaapritueel kan wonderen doen: een vast tijdstip om te gaan slapen, iets drinken, plassen, omkleden, verhaaltje lezen en dan… lekker slapen!


 

Ruzie maken mag! Deel dit bericht:

 

Ruzie maken mag!

8 januari 2016

Ruzie bij kinderen, het lijkt onvermijdelijk. Toch kun je je er behoorlijk aan ergeren als twee kinderen elkaar steeds weer opzoeken. Ruzies bij kinderen gaan weliswaar gepaard met heftige gevoelens en reacties, maar die maken al snel weer plaats voor sociaal gedrag. Als volwassene sta je soms nog een oplossing te bedenken als de kinderen alweer samen spelen.

Ruzie maken heeft een belangrijke functie in het leven van kinderen. Ze leren ervan met elkaar om te gaan. Het gedrag van jongens en meisjes verschilt in eerste instantie niet veel van elkaar: bijten, slaan, krabben, aan de haren trekken. Pas bij oudere kleuters verandert dit wat. Meisjes verzinnen dan meer geraffineerde of verbale vormen van ruzie terwijl jongens directer zijn en ‘erop los’ slaan. Door ruzie leren kinderen een eigen plek te veroveren, ‘nee’ te zeggen en voor zichzelf op te komen.

Ruzie maken zorgt er ook voor dat ze leren omgaan met eigen emoties en die van een ander, het is dus eigenlijk een training in sociale vaardigheden. Kinderen leren hun grenzen in de gaten houden en die van een ander te respecteren, ze leren dingen met elkaar te delen en zich minder egocentrisch op te stellen. Oudere kinderen leren zich bewust te worden van heftige gevoelens, zoals agressie of jaloezie, om daar vervolgens mee om te gaan. Ze leren incasseren bij allerlei situaties. Als je als kind leert omgaan met ruzie, heb je daar je hele leven plezier van. Ruzie maken mag. Het is zelfs goed!.

In elke fase van het leven neemt ruzie een andere vorm aan. Bij kleine kinderen heeft de ruzie een directe aanleiding en wordt die vaak fysiek ‘uitgevochten.’ Het gaat om simpele dingen, zoals bijvoorbeeld het afpakken van een snoepje. Bij wat oudere kinderen zie je een overgang naar sociale onderwerpen. Ze zeggen bijvoorbeeld dat een bepaald kind niet mee mag spelen. Ze kunnen elkaar behoorlijk pijn doen met woorden of ingewikkelder psychologisch gedrag, zoals weren uit de groep of negeren. De aard van de ruzie hangt nauw samen met andere aspecten. De leeftijd van een kind is van invloed op het inlevingsvermogen en gedrag. Maar ook de gezinssituatie, de omstandigheden en andere gebeurtenissen bepalen hoe kwetsbaar of sterk een kind bij ruzie in zijn schoenen staat. Hoe goed het kan omgaan met de eigen sociale vaardigheden en emoties. Wat je vaak ziet bij broertjes en zusjes is dat de verschillen in leeftijd problemen geven en vaak tot ruzie leiden. De ontwikkeling ligt dan gewoon te ver uit elkaar. Een kind van anderhalf heeft een heel andere belevingswereld dan een zesjarige.

Dreumesen en peuters zijn erg egocentrisch ingesteld. Zij kunnen het elkaar behoorlijk lastig maken. Ze hebben nog weinig oog voor de wereld om zich heen. Er is nog geen begrip van ‘mijn en dijn’. Langzaamaan leren ze dat niet alles hun eigendom is, dat niet alles meteen kan en mag. Dat gaat natuurlijk niet zomaar. Op deze leeftijd kunnen ze zich nog niet verplaatsen in de gevoelens van een ander. Als ze een speelgoedje van iemand afpakken, wordt in hun ogen minstens zoveel onrecht aangedaan als jij vervolgens het speelgoedje weer van hen afpakt. Pas als de kinderen een jaar of drie zijn kunnen ze soepeler met andere kinderen omgaan.

Af en toe ruzie is gezond. Als eerste reactie wil je je ermee bemoeien, dit is echter niet altijd nodig. Voor alle leeftijden geldt dat kinderen het meest leren van oplossingen die ze zelf of met de ander bedenken. Los daarom niet alles meteen voor ze op, maar stel vragen en stimuleer ze om zelf na denken over oplossingen. Het gaat tenslotte om een leerproces. Het gaat er vooral om de kinderen te helpen met zichzelf en de ander om te gaan.

 


 

Spelend leren Deel dit bericht:

 

Spelend leren

3 december 2015

“Ik was mama en jij was mijn baby, goed?” Doen alsof is voor kinderen goed.  Zo kunnen ze hun fantasie gebruiken. Het verschil tussen realiteit en spel is voor hen heel duidelijk, ze doen alsof ze ruzie hebben, ze doen alsof ze een leeuw zijn. Zo leren ze zich sociale rollen eigen te maken. Verschoont mama bij de baby een luier, dan is pop ook aan de beurt. Het imiteren van gedrag van volwassenen is een manier waarop kinderen spelend leren. Spelen is bovendien een manier om zich te uiten, de wereld te ontdekken en eigen te maken en ervaringen te verwerken. Als een kind een prikje heeft gehad, krijgt de knuffel later ook een prikje.

Kinderen hebben vaak genoeg aan hun eigen spel. Ze kunnen met eenvoudige dagelijkse dingen wel een half uur bezig zijn, terwijl het echte speelgoed in de kast blijft. Wat kun je allemaal niet doen met een pollepel of een pan? Toch neemt speelgoed in het leven van kinderen een grote plaats in. Goed speelgoed voldoet aan een aantal voorwaarden. Het moet kinderen stimuleren in hun sociaal-emotionele en motorische ontwikkeling, en in  hun sociale en cognitieve vaardigheden. Speelgoed moet vooral aansluiten bij de behoeften van het kind. Zowel het persoonlijke karakter als de fase van ontwikkeling zijn dingen waar je op moet letten. Verder is het is belangrijk dat speelgoed de sociale ontwikkeling stimuleert. Spelen doe je vaak met anderen. Daarvan leert een kind sociale regels. Bijvoorbeeld leren delen, zich verplaatsen in gevoelens van anderen. Spelletjes als Memory en kwartet, evenals andere spellen waar competitie een rol speelt, zijn daarvoor erg geschikt. En wat dacht je van een kist vol verkleedkleren?

Wat is verantwoord speelgoed? Zelf denk je misschien meteen aan ongeverfd, houten speelgoed. Kinderen komen echter juist op speelgoed af wat felle kleuren heeft en van plastic is. Of speelgoed goed is hangt niet zozeer samen met het materiaal, maar met het gegeven of het een kind verschillende mogelijkheden biedt. Het is erg leuk om van blokken een garage te bouwen om er vervolgens je autootjes in te zetten. Speelgoed moet kinderen uitdagen, nieuwsgierig maken en hun creativiteit stimuleren. Verantwoord speelgoed kan ook alleen materiaal zijn waarmee kinderen naar eigen idee aan de slag kunnen gaan, zoals zand, water, klei. Ze leren wat het materiaal kan, hoe het voelt, wat ze ermee kunnen maken.

Alle kinderen hebben een eigen tempo in hun spelontwikkeling. Gemiddeld ontwikkelt het kind zijn fantasie bijvoorbeeld tussen de drie en vier jaar, maar een uitschieter naar vijf jaar is echt geen uitzondering. Uit onderzoek is gebleken dat de houding van volwassenen voor een groot deel het speelpeil van een kind bepaalt. Je moet dus zelf het voorbeeld geven! Als volwassene kun je veel leren van spelende kinderen. Je ziet wat ze bezighoudt, wat ze al kunnen op bepaald gebied. Gebruikt het kind het materiaal zoals bedoeld? Is het vindingrijk? Als volwassene kun je ontzettend genieten van spelende kinderen.  Zeg nou zelf, daar kun je toch uren naar kijken?!


 

Sitemap

Volg ons